HOOFDSTUK 23 @BRK#Met Zonnedanser achter haar aan reed ze op Bumper het bos weer in, terug naar het kasteel. Ze had het terrein rondom het kasteel de afgelopen dagen goed leren kennen en ze wist een prima plek waar niemand Bumper zou kunnen zien. Het was een kleine open plek in het bos, ongeveer twintig meter van de bosrand vandaan, aan de voet van kasteel Araluen. De open plek was een meter of acht in doorsnee en werd omringd door dichte begroeiing, zodat zelfs iemand die er vlak langs liep niks zou zien. De bomen boden haar paard bovendien beschutting tegen eventueel slecht weer – wat wel fijn voor Bumper was, maar niet per se noodzakelijk, omdat hij wel aan lastige omstandigheden gewend was. Maar hij hoefde het natuurlijk niet zwaarder te hebben dan noodzakelijk. Dat was ook de reden dat ze een deken voor hem had geleend. Ze bereikten de door haar uitgekozen plek en Maddie stapte af. Ze bond Zonnedanser aan een lage tak en voerde Bumper tussen de struiken door naar zijn tijdelijke thuis. De Arridaan hinnikte een beetje onzeker toen hij haar tussen de bomen zag verdwijnen. ‘Rustig maar. Ik kom zo terug,’ zei ze zachtjes. Raspaarden, snoof Bumper. Hysterische beesten. Ze negeerde hem en keek de open plek rond. Het was een ideale plek voor Bumper. Ze ontzadelde hem en hing het zadel met het hoofdstel over een laaghangende tak. Ze haalde de pees van haar boog, maakte de pijlkoker los van haar riem en stopte ze beide in de waterdichte hoes die aan Bumpers zadel vastzat. Ze gooide de deken over zijn rug en maakte de riempjes bij zijn schouders en onder zijn buik door vast. ‘Zo blijf je wel warm,’ zei ze. Hij wierp haar van opzij een snelle blik toe, waarop ze wees naar een opening in de begroeiing aan de kant het verst van het kasteel vandaan. ‘Hierlangs kom je na een meter of vijf bij een beekje,’ zei ze. Het vrolijke gekabbel en gespetter van het water was te horen. ‘En ik heb wat haver voor je. Niet alles tegelijk opeten.’ Bumper brieste kort. Zo’n waarschuwing was beneden zijn stand. Ze deed de helft van de haver in de emmer en zette die onder een boom. Bumper had geleerd mondjesmaat te eten. Ze wist best dat hij niet zomaar die hele emmer leeg zou eten. En ook dat hij op de open plek zou blijven zonder dat ze hem hoefde vast te binden – behalve als hij water nodig had. Als er mensen voorbijkwamen zou hij geen kik geven en doodstil blijven staan. Ze vond het niet fijn om hem hier achter te laten terwijl hij ook in de warme schuur van Warry kon worden gestald, maar het kon nu even niet anders. ‘Ik kom morgenavond terug,’ zei ze tegen hem. Warry en zij hadden haar plan om de wacht bij de abdij te houden besproken en ze waren het erover eens geweest dat de Vossen niet meteen die avond weer bijeen zouden komen, omdat ze immers net bijeen waren geweest. Vorige meldingen over licht in de abdij hadden erop gewezen dat er één keer in de ongeveer zes dagen iets gebeurde, dus de kans was groot dat het nu ook nog wel een kleine week ging duren. Om alle twijfel de baas te zijn wilde ze toch de volgende dag vast met haar wacht beginnen. ‘Ik zal er vanavond voor de zekerheid even een kijkje nemen,’ had Warry gezegd, en daar was ze blij mee. Ze klopte Bumper op zijn nek en hij duwde lief zijn hoofd even tegen haar schouder. Meteen daarna glipte ze weer tussen de struiken door, maakte ze het tuig van Zonnedanser weer los en klom ze op zijn rug. ‘Zorg dat ze je niet zien,’ riep ze nog naar Bumper. Zijn zachte gehinnik vatte ze op als: Ja, wat had je dan gedacht? Ze tikte Zonnedanser met haar hakken in zijn flank en reed het bos uit en het parklandschap op. Zodra ze weer op open terrein waren gaf ze hem nogmaals een tikje en ging hij van lopen over naar een snelle draf. Hij was Bumper niet, dacht Maddie, maar Zonnedanser was een uitstekend paard. Hij bewoog zich soepel en sierlijk en hij schakelde heel makkelijk van het ene tempo naar het andere over. Ze spoorde hem aan tot een volle galop en hij strekte zich. Zijn hoeven leken de grond nauwelijks nog aan te raken en zo overbrugde ze in een mum van tijd de afstand naar het kasteel. Van een afstandje zag ze haar moeder buiten de kasteelmuur op haar staan wachten. Cassandra zat op een zwarte ruin en was de ophaalbrug al overgestoken. Ze werd vergezeld door Dimon en een tweede ruiter, die beiden op een paar meter afstand van haar de wacht hielden. Zonnedanser liet tijdens de galop vrolijk plukjes gras en kluiten modder in het rond vliegen. Maddie genoot van de opwinding die zo’n rit op volle snelheid altijd weer veroorzaakte, en ze kwam binnen de kortste keren naast haar moeder tot stilstand. Cassandra keek veelbetekenend naar de zon, die al bijna recht boven hen stond. ‘Je bent bijna te laat,’ zei ze. Maddie lachte breeduit. ‘Dat betekent dat ik dus op tijd ben, of misschien zelfs aan de vroege kant,’ antwoordde ze. Cassandra rolde even met haar ogen en draaide zich naar de staljongen, die met drie pony’s over de ophaalbrug kwam aanlopen en de teugels aan de metgezel van Dimon overdroeg. Alle pony’s waren gezadeld en het viel Maddie op dat het drie wat oudere, volgzame dieren waren. Dimon zag de vragende blik van Maddie en gebaarde naar de pony’s. ‘Die zijn voor de Skandiërs,’ beantwoordde de jonge kapitein haar niet hardop gestelde vraag. ‘Hadden we niet een paar wat levendigere paarden voor ze in de aanbieding?’ vroeg ze. Een van de pony’s, gevlekt grijs, leek zelfs wandelend elk ogenblik in slaap te kunnen vallen. Haar moeder legde het uit. ‘Skandiërs zijn geen ervaren ruiters,’ zei ze. ‘Ze rijden wel paard als het niet anders kan, maar ze houden er niet echt van.’ ‘Ga jij met ons mee?’ vroeg Maddie aan Dimon. Hij knikte. ‘Vanzelfsprekend. Ik kan de prinses niet onbeschermd laten vertrekken. Ik had trouwens liever wat meer manschappen bij me gehad.’ ‘Twee man is meer dan genoeg,’ antwoordde Cassandra. ‘Ik ben zelf tenslotte ook bewapend.’ Bij die laatste woorden tikte ze even op het glanzend houten handvat van de katana aan haar riem. ‘En Maddie en ik hebben allebei onze slinger bij ons.’ Net als haar dochter ging Cassandra zonder haar slinger nergens naartoe. Ze wachtte even tot de metgezel van Dimon de pony’s klaar had voor het vertrek en wees toen naar het noordoosten, waar de Semath stroomde. ‘Kom, we gaan naar de rivier,’ zei ze. Ze vertrokken, heel rustig – naar Maddie aannam omdat de pony’s niet meer dan een bescheiden drafje in zich hadden. Halverwege de helling door het park gingen ze op een oostelijkere koers af. Ze reden over een breed ruiterpad het bos in. Na een kwartiertje werd de begroeiing geleidelijk minder dicht, tot ze over een groene vlakte met slechts af en toe een verdwaalde boom reden. De rivier lag in de verte te glinsteren. Op dit punt was de Semath breed en stroomde hij langzaam. Nog vijftien kilometer, dan had hij de zee bereikt. Verder landinwaarts boog de stroom af naar het zuiden, naar het pittoreske dorpje dat vlak bij kasteel Araluen lag. Verder landinwaarts stroomde de rivier vooral over een weidse, beboste vlakte. Ze stopten bij de stevige houten steiger op de oever van de rivier. Cassandra ging in haar stijgbeugels staan, hield een hand boven haar ogen en keek de rivier af. Op een halve kilometer stroomafwaarts van de steiger maakte de rivier een scherpe bocht. Vooralsnog zag ze van die kant geen wolvenschip aankomen. Maddie nam aan dat de Skandiërs wel in een van hun befaamde wolvenschepen zouden reizen. ‘Daar zijn ze,’ zei Dimon en hij wees over de rivier. Er kwam een klein, elegant scheepje de bocht om. Er stond maar weinig wind, en toch voer het schip verrassend snel. Tot Maddies verbazing was het geen wolvenschip – het leek althans helemaal niet op de plaatjes die ze van dat soort schepen had gezien. Het was kleiner dan ze had verwacht, met aan weerszijden vier in plaats van de gebruikelijke tien à vijftien roeiers. Het zeil was driehoekig en stond parallel aan de boot in plaats van dwars erop. Ze zag het schip naar de noordelijke oever van de rivier varen en daar overstag gaan, zodat ze recht op haar af kwamen. Op het moment dat de boeg zich naar de steiger draaide, zag ze tot haar verbazing de spanning uit het zeil verdwijnen en gleed het langs de mast naar beneden. Vrijwel onmiddellijk schoof er aan de benedenwindse kant een ander zeil omhoog, en zodra de wind daar vat op kreeg stond dat mooi strak langs de mast. Het schip had bij de draai nauwelijks snelheid verloren en schoot nu weer vooruit. De schuimende boeggolf die het achterliet was indrukwekkend. Aan de hoge achtersteven wapperde een lange banier en Maddies gezicht betrok. Op de banier stond een rode havik, op het punt zich op zijn prooi te storten. ‘Dat is jouw vaandel,’ zei ze, nogal verontwaardigd. Tot haar verbazing moest haar moeder er hartelijk om lachen. ‘Ja, het wapperde bij Erak op Wolfswind toen hij Will, Halt en mij weer naar huis bracht. Hal heeft de traditie voortgezet om het bij elk bezoek aan Araluen te hijsen. Het is een brutaal stelletje, die Skandiërs,’ voegde ze er glimlachend aan toe. Ze wekte niet de indruk het erg te vinden dat haar persoonlijke wapen onrechtmatig werd gebruikt. ‘Hal?’ vroeg Maddie. Wie Erak was wist ze wel. Dat was de oberjarl, de leider van de Skandiërs. Iedereen kende zijn naam. ‘Hal Mikkelson. Hij is een van hun beste schippers, die ze daar trouwens skirl noemen. Hij is een geweldige navigator en scheepsbouwer. Hij heeft dat hele schip zelf ontworpen en gebouwd. Gilan heeft erop gevaren toen ze een paar jaar geleden een einde maakten aan die bende moordenaars die het op mij had voorzien.’ Maddie trok even haar neus op. ‘Het is wel een klein dingetje, hè?’ ‘Ja, de Reiger is klein. Maar Gilan vertelde dat hij heel snel is en ongelofelijk wendbaar. Dat schijnt door de vorm van het zeil te komen.’ Dimon keek vol belangstelling naar het snel naderende schip. ‘Dus dit zijn die beroemde Reigers,’ zei hij, bijna in zichzelf. ‘Reiger? Reigers?’ vroeg Maddie. ‘Vreemde naam. En waardoor zijn ze beroemd?’ ‘De Skandiërs trainen hun jonge mannen in groepen van tien à twaalf, zogenaamde broederbanden,’ legde Dimon uit. ‘Zo’n groep leert samen te leven, samen te vechten en samen te varen. Als hun opleiding erop zit wordt een broederband de kern van de bemanning van een schip. Zo’n groep blijft hun hele leven bij elkaar.’ ‘En deze broederband is beroemd omdat ze van de ene kant van de ons bekende wereld helemaal naar de andere kant zijn geweest,’ vulde Cassandra aan. ‘Ze hebben piraat Zavac over de rivier de Dan achtervolgd, tot aan de oostkant van de Constante Zee. Hij had in Hallasholm, hun hoofdstad, een belangrijk kunstvoorwerp gestolen. Ze achterhaalden hem, brachten zijn schip tot zinken en doodden Zavac zelf. Daarna hebben ze het opgenomen tegen die moorddadige sekte in het oosten van Arrida waar ik je over verteld heb. En ze hebben ook een keer een groep jonge Araluenen gered die door slavendrijvers naar Socorro waren ontvoerd.’ ‘Er gaat zelfs een gerucht dat ze ver in het westen een nieuw land hebben ontdekt,’ zei Dimon. ‘Maar dat lijkt me eigenlijk een nogal sterk verhaal.’ Maddie hoorde dat Dimon dat laatste er enigszins minachtend aan toevoegde, alsof het hem een beetje tegen de borst stuitte om al te enthousiast over de Skandiërs te praten. Ze concentreerde zich weer op het mooie scheepje, dat inmiddels de steiger naderde. Ze hoorde iemand vanaf de achtersteven een opdracht roepen en vrijwel meteen gleed het zeil als een lappenpop langs de mast naar beneden. Bemanningsleden haastten zich het op te ruimen. Het schip draaide nog een klein stukje door, tot het parallel aan de steiger kwam te liggen. En precies op het moment dat het de steiger bereikte, viel de snelheid bijna volledig weg. Een lange jongen sprong van boord en sloeg – voor de zekerheid twee keer – een touw om de behoorlijk verweerde meerpaal. Hij zette zich schrap en bracht het schip helemaal tot stilstand. De boeg gleed tegen de steiger aan, maar de rieten stootkussens die over de verschansing hingen vingen de klap op. Een tweede bemanningslid sprong van boord en deed aan de achterkant van het schip hetzelfde als de lange jongen eerder vooraan had gedaan. Binnen een halve minuut lag het scheepje keurig aangemeerd langs de steiger. ‘Kom mee,’ zei Cassandra met een brede glimlach. ‘Even gedag zeggen.’ Ze liet zich van de rug van haar paard glijden en wandelde naar de steiger. Maddie haastte zich achter haar aan. Achter hen aarzelde Dimon even, maar die richtte zich uiteindelijk tot zijn metgezel. ‘Let op de paarden,’ zei hij, waarna hij afstapte en gauw achter de twee vrouwen aan liep. ‘Stig!’ riep Cassandra en ze stak haar beide armen uit om de jongeman die als eerste van boord was gesprongen te omhelzen. ‘Welkom in Araluen!’ Hij stortte zich enthousiast in haar armen, sloeg de zijne ook om haar heen en tilde haar van de grond. Dimon wilde al ingrijpen, maar hoorde nog net op tijd dat Cassandra hartelijk om de begroeting moest lachen. ‘Zet me neer, grote lomperik!’ riep ze, nog steeds lachend. Uiteindelijk deed hij wat ze hem vroeg, waarna ze de ruimte had om Maddie bij zich te wenken. ‘Stig, dit is mijn dochter Maddie. Maddie, dit is Stig.’ Maddie bekeek hem aandachtig. Hij was lang, hij had brede schouders en hij zag er sportief uit. Het was absoluut een knappe jongen: zijn blauwe ogen sprankelden, zijn gezicht was symmetrisch en hij had een keurig bijgewerkt blond baardje met een snor. Zijn kortgeknipte haar was eveneens blond. Hij schudde haar hand en hij moest om haar behoedzame reactie lachen. Ze vreesde even dat hij haar ook in zo’n omhelzing van de vloer zou tillen. Iets wat ze bij nader inzien misschien helemaal niet zo erg had gevonden. Cassandra ging verder met het kennismakingsrondje. ‘Stig, dit is Dimon, kapitein van mijn garde.’ De Skandiër deed een stapje naar voren en stak glimlachend zijn hand uit. Tot Maddies verbazing aarzelde Dimon even voordat hij die schudde. Ze schreef het toe aan het belang van zijn opdracht om haar moeder te beschermen. ‘Aangenaam kennis te maken,’ zei Stig opgeruimd. ‘Welkom in Araluen,’ antwoordde Dimon een beetje stijfjes. Maddie had verder geen tijd om zich over Dimons ongemakkelijke gedrag te verwonderen. Haar moeder trok haar mee naar twee andere Skandiërs die de steiger over kwamen lopen en die al even breeduit lachten als die ander daarnet. ‘En dit zijn twee andere vrienden van lang geleden: Hal Mikkelson, de skirl van de Reiger, en Thorn, de grootste schurk die ik ooit heb ontmoet.’